Historie Richtlijn (SYSID-0087)
Drainage, Algemeen
In nieuw in te richten gebieden dient voldoende ontwateringsdiepte te worden gecreeërd voor de aan de grond gegeven bestemming. Hierbij mag voor gebieden met een stedelijke functie de grondwaterstand gemiddeld niet vaker dan eens in de 2 jaar en niet langer dan 5 dagen achtereen hoger zijn dan:
- 0,70 m onder de as van de weg;
- 0,50 m onder maaiveld bij gebouwen bij kruipruimteloos bouwen;
- 0,50 m onder maaiveld bij groenstroken en tuinen.
Uitgangspunt hierbij is dat het vloerpeil minimaal 20 cm boven de as van de (toekomstige) weg ligt. Dit dient te worden aangetoond met een (geohydrologische) berekening of beschouwing in een waterhuishoudkundig plan (WHP). De grondwaterstand en maatregelen in het grond- en hemelwaterbeheer op openbaar terrein mag niet tot overlast leiden op aangrenzende particuliere percelen. Voorafgaand aan het definitief ontwerp dienen minimaal drie volledige jaren grondwatermonitoring uitgevoerd te worden. De beoordeling van de bruikbaarheid van de metingen komt uit het gemeentelijk meetnet in overleg met IB/B&O. Voor eventuele maatregelen zoals afkoppelen van hemelwater dient een toetsing worden uitgevoerd met betrekking tot het effect op de grondwaterstand. Om de ontwatering van een gebied aan te tonen en om de effecten van de waterbergende maatregelen op de grondwaterstand inzichtelijk te maken, dient een grondwatereffectrapportage te worden opgesteld. Ook dient onderzocht te worden of er sprake is van ijzerhoudend grondwater. Indien dat het geval is, dient het ontwerp hierop te worden aangepast.
De overstortdrempelhoogte van een HWA/DT/DIT- leiding (of combinatie hiervan) is ook afhankelijk van de grondwatereffectrapportage. In de grondwatereffectrapportage dienen ook de waterpeilen van het hoogheemraadschap te zijn meegenomen (zomerpeil en winterpeil of instelpeilen van het verbeterd droogmakerij systeem (VDS)).
