Historie Richtlijn (SYSID-0097)
Drainage, Algemeen
Drainageleidingen dienen volledig onder de laagst voorkomende grondwaterstand aangelegd te worden om ijzerafzetting en wortelingroei te voorkomen. Uitgangspunt is dat de bovenkant van de drainageleiding 0,2 m onder de laagst voorkomende grondwaterstand ligt. Het drainage instelniveau dient in een aparte put (instelput) middels een drempel in de put te worden geregeld. De taludbak bij het lozingspunt van het drainagestelsel kan daardoor deels boven de waterlijn worden aangebracht. Ook dient het aanlegniveau in relatie tot het oppervlaktewaterniveau beoordeeld te worden indien er sprake is van een open verbinding.
Drainage, Algemeen
Drainageleidingen dienen volledig onder de laagst voorkomende grondwaterstand aangelegd te worden om ijzerafzetting en wortelingroei te voorkomen. Het drainage instelniveau dient in een aparte put (instelput) middels een drempel in de put te worden geregeld. De taludbak bij het lozingspunt van het drainagestelsel kan daardoor deels boven de waterlijn worden aangebracht. Het maximale aanlegniveau dient minstens 1,2 m te zijn in verband met ruimte voor kabels & leidingen en grondwaterdekking. Ook dient het aanlegniveau in relatie tot het oppervlaktewaterniveau beoordeeld te worden indien er sprake is van een open verbinding.
